De eerste schrijvers die officier werden stammen uit de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784). Het desbetreffende admiraliteitsbesluit om schrijvers voortaan te erkennen als officier dateert van 4 september 1781. In juli 1795, dus aan het begin van de Bataafs-Franse tijd (1795-1814) en kort na de opheffing van de admiraliteiten, wordt er een “Corps ’s Lands Zee-Officieren” gevormd waartoe ook de (eerste) schrijvers gerekend worden. In de oudst bekende naamlijst van dit officierskorps, van 1 juli 1797, komen twintig schrijvers voor1.
Er zijn geen officieren bekend die zich als schrijver door heldendaden, bijzondere wapenfeiten etc, hebben onderscheiden. KTZ S.W.P.C. Braunius merkte in 1964 in zijn allereerste artikel over de schrijver al eens op: “wordt de schrijver pas aan de vergetelheid ontrukt, indien de geboden stof met een opvallend gewelddadige dood kan worden gelardeerd”. Vervolgens verwees hij naar het aan dek sneuvelen van Paulus Clerck, schrijver van admiraal De Ruyter, in 1665. Ook andere bekende Nederlandse zeventiende-eeuwse admiralen verloren wel eens hun schrijver tijdens de strijd omdat deze zich nu eenmaal bij gevechten in de directe nabijheid van de commandant aan dek moest ophouden2.
1 M. van Alphen, Het oorlogsschip als varend bedrijf (Franeker 2014) 87 en M.J.C. Klaassen, De offocier van administratie bij de Koninklijke marine (z.p., 1965) 20.
2 S.W.P.C. Braunius, ‘Van schrijver tot officier van administratie 1597-1844’, in Marineblad 74 (augustus 1964) 345 en M.van Alphen, Het oorlogsschip als varend bedrijf (Franeker 2014) 156-158.